Scheefheid in bespiering
Paarden hebben geen sleutelbeen. Het voorbeen wordt dus alleen door spieren en banden aan de rest van het lichaam verbonden via een verbinding met banden en spieren tussen het schouderblad en de ribbenkast van het paard.
We weten allemaal dat spieren zich ontwikkelen in verschillende stadia, afhankelijk van training en beweging. Zowel het paard als de ruiter zullen bij een onevenwichtige (asymmetrische) ontwikkeling van de linker- of rechterkant problemen ondervinden.
Het is een gegeven dat een paard die niet gelijkmatig ontwikkeld is, of een
a-symmetrische ruiter draagt, niet zelf ter compensatie spieren gaat ontwikkelen aan de andere kant. Het paard zal steeds schever worden en hierdoor soms zelfs kreupel gaan lopen.
Door het paard in een positie te brengen waarbij het de last die hij draagt evenredig over zijn rug verdeelt, zal hij uiteindelijk rechter kunnen worden in zijn bespiering en zich op de juiste manier verder kunnen ontwikkelen.
Het is voor een paard bijna onmogelijk om op 1 hand zowel in draf als in galop beter te werken. Dit komt door het functioneren van de verschillende spiergroepen in deze 2 gangen. Een paard dat rechtsom makkelijker werkt in draf zal bij voorkeur links galoperen en omgekeerd.
De sterkste schouder van het paard is de plattere schouder die meestal het verst naar achteren geplaats is. De platte schouder is namelijk het meest ontwikkeld onder het schouderblad. Normaal gesproken zal het diagonale achterbeen hierbij sterker zijn.
Het zadel zal door de sterkere (plattere) schouder naar de andere kant worden geduwd. Vaak is achter de dikkere schouder ook een holte waar het zadel graag in wil vallen. De sterkere schouder zal het zadel omhoog en naar achteren duwen en de ribbenkas zal aan de “bollere” schouder lager voelen.
Is de rechterschouder dikker en de linker platter (en dus sterker en vaak meer naar achteren geplaatst) dan zal het paard beter rechtsom gaan in draf en voorkeur hebben voor de linker galop.
Het is een gegeven dat een paard die niet gelijkmatig ontwikkeld is, of een
a-symmetrische ruiter draagt, niet zelf ter compensatie spieren gaat ontwikkelen aan de andere kant. Het paard zal steeds schever worden en hierdoor soms zelfs kreupel gaan lopen.
Door het paard in een positie te brengen waarbij het de last die hij draagt evenredig over zijn rug verdeelt, zal hij uiteindelijk rechter kunnen worden in zijn bespiering en zich op de juiste manier verder kunnen ontwikkelen.
Het is voor een paard bijna onmogelijk om op 1 hand zowel in draf als in galop beter te werken. Dit komt door het functioneren van de verschillende spiergroepen in deze 2 gangen. Een paard dat rechtsom makkelijker werkt in draf zal bij voorkeur links galoperen en omgekeerd.
De sterkste schouder van het paard is de plattere schouder die meestal het verst naar achteren geplaats is. De platte schouder is namelijk het meest ontwikkeld onder het schouderblad. Normaal gesproken zal het diagonale achterbeen hierbij sterker zijn.
Het zadel zal door de sterkere (plattere) schouder naar de andere kant worden geduwd. Vaak is achter de dikkere schouder ook een holte waar het zadel graag in wil vallen. De sterkere schouder zal het zadel omhoog en naar achteren duwen en de ribbenkas zal aan de “bollere” schouder lager voelen.
Is de rechterschouder dikker en de linker platter (en dus sterker en vaak meer naar achteren geplaatst) dan zal het paard beter rechtsom gaan in draf en voorkeur hebben voor de linker galop.
